Locaties

Aanbrengertje, Gouda

Klein maar krachtig

Oorspronkelijk bemaalt dit molentje een kleine polder tussen de Oude en Nieuwe Gouwe. Nu zorgt het er hier in het museum al vele decennia voor dat water uit de sloot naar de grote vijver wordt gepompt. Dit soort molens wordt voor het eerst in 1842 in de drassige omgeving van de Zaan gebruikt. Het principe is simpel: het draaien van de wieken wordt omgezet in een snel draaiende beweging van de schoepen van de centrifugaalpomp, en die schoepen stuwen het water omhoog. Kleine weidemolens zoals deze worden ook wel ‘aanbrengertjes’ genoemd. De wieklengte varieert van 2 tot 5 meter, afhankelijk van de grootte van het te bemalen oppervlak. De staart aan het molenhuis zorgt ervoor dat de wieken steeds op de wind worden gehouden.

Hier geplaatst in 1946.

Aanbrengertje, Langweer

Watermanagement in het klein

In het natte Noord-Hollandse Waterland zorgen kleine molentjes er vanaf de eerste helft van de 19e eeuw voor dat de waterstand op peil blijft. De molentjes pompen water uit de lager gelegen sloten naar hogere sloten. Ze worden daarom aanbrengertjes genoemd. Sommige aanbrengertjes vinden later hun weg naar Friesland. Zoals dit exemplaar uit ongeveer 1850 dat in de Eerste Wereldoorlog uit de Wormer verhuist naar het Friese Langweer. In Friesland worden de molentjes dan ook Hollandse molentjes genoemd. De techniek is even eenvoudig als effectief: de wieken drijven een houten centrifugaalpomp aan die water omhoog pompt. Een klep voorkomt dat het water terugloopt. En de grote staart van het molenhuis houdt de wieken op de wind.

Hier geplaatst in 1989.

Arbeidershuisje, Zandeweer

Een nieuw huis in een groeiend dorp

Deze arbeiderswoning wordt in de tweede helft van de 19e eeuw aan de Hoofdstraat in Zandeweer gebouwd. Het Groningse dorp ontwikkelt zich in die tijd tot een echt tuinbouwdorp, waar vroege aardappelen, groenten en na 1900 ook fruit worden verbouwd. Ook de bewoners van dit huisje verdienen hun geld in de tuinbouw. Maar een vetpot is het niet. Om bij te verdienen houdt het gezin wat kleinvee in de houten schuur aan de straat.

Hier geplaatst in 1957.

Het huis is niet ingericht. Er worden regelmatig demonstraties in geven.

Arbeiderswoning, Zaanstreek

Een huisje waar alleen verkleinwoordjes bij passen

De rijke Zaanse koopman Honig (ja, die Honig) verhuurt dit woninkje rond 1900 aan werknemers. Het huisje bestaat uit een piepklein woonkamertje met kast en bedstee, een portaaltje dat tegelijk keukentje is, plus een piepklein zoldertje. Het enige wat een beetje ruim is, is de plee boven de Zaan. De huurders zijn vaak oudere arbeiders met getrouwde kinderen die het huis uit zijn. Het woninkje is een zogeheten ‘kaats’ – een gebouwtje met een dak dat aan één zijde afloopt. Dat wordt ook wel een lessenaarsdak genoemd. Honig betaalt zijn arbeider vijf gulden loon per week. Daarvan betalen de bewoners op hun beurt weer f 1,50 per week huur aan Honig. Die zelf trouwens met zijn familie in de statige Zaanse koopmanswoning (30) iets verderop woont.

Reconstructie, hier gebouwd in 1976.

Arbeiderswoningen, Tilburg

Een tijdreis door vier Tilburgse woningen

Door de voordeur van het linker huis- je stapt u 1860 binnen: het bouwjaar van deze Tilburgse arbeiderswoningen. De hygiëne is beroerd en er heersen epidemieën – de drinkwaterput ligt pal naast de mestvaalt en de plee. Wandelend door de volgende huisjes volgt u de ontwikkeling van de woonomstandigheden en de hygiëne in de 110 jaar daarop. In het tweede huisje woedt nog de kindersterfte die Tilburg rond 1910 in z’n greep houdt. Die wordt veroorzaakt door de slecht schoon te maken gummi slangen en spenen van zuigflessen. Via het keurige jaren ’50-interieur van de wijkzuster in het derde huisje, met modern keukenblok en granito aanrecht, loopt u naar de jaren ’70. De tijd van macramé en veel oranje, maar vooral ook van steeds betere kraamzorg.

Hier geplaatst in 1958. Verplaatst in 1998.

Bakkerij, Zaanstreek

Brood uit een houtgestookte bakkersoven

In dit Zaanse woonhuis uit de 17e eeuw stookt onze bakker zijn oven heel traditioneel met takkenbossen. Hij bakt er ouderwets lekkere broden en koeken in. Het huis is sinds de bouw in 1680 talloze keren verbouwd en verbeterd. Bij de herbouw hier in het museum is de onderkant van de gevel in de 18e-eeuwse situatie teruggebracht. De sierlijke bovenkant van de gevel dateert uit ongeveer 1835. Pas hier in het museum is de smederij erbij gezet. De ventilatieluiken in de zijgevel van de smederij herinneren nog aan de functie van smidse. De buitenwanden van de winkel en de smederij zijn voorzien van wat in de Zaanstreek een ‘getrapte weeg’ heet: planken die overnaads gespijkerd zijn, zodat de regen er niet tussendoor naar binnen kan sijpelen.

Hier geplaatst in 1972 en 1974.

Bakspieker, Denekamp

Brood bakken is bepaald niet zonder gevaar…

Brood bakken is nog best een gevaarlijk karweitje. De oven wordt namelijk eerst met takkenbossen heel heet opgestookt. Als de temperatuur hoog genoeg is, wordt het gloeiende hout eruit gehaald en de ovenvloer schoongeveegd. En dan gaat het deeg erin. Gelukkig zijn de bezems, broodspanen en tangen lang genoeg, maar het blijft opletten met zo’n hete oven. Vanwege brandgevaar staat het bakhuis ook meestal een eindje bij het woonhuis vandaan. Dit is een vrij groot bakhuis, met onder het dak zelfs nog ruimte om bijen te houden. Maar meestal is het niet meer dan een gemetseld oventje met een afdak erboven. In het oosten van het land worden bakhuizen ‘bakspiekers’ genoemd. Boven de deur van deze bakspieker is het bouwjaar uitgesneden: 1741.

Beugelbaan

Een spelletje uit de late middeleeuwen

Vergelijkbaar met de boogschietbaan aan de overkant, ligt er eind 19e eeuw bij heel wat herbergen en cafés in Noord-Brabant en Limburg een beugelbaan. Beugelen is een oud spelletje – het schijnt dat er al in 1390 in Holland een beugelbaan is aangelegd. Beugelen lijkt een beetje op croquet, maar dan met een bal die wel vijf kilo kan wegen. Die bal moet met een houten schep, een sleger, door de ring in de grond worden gespeeld. Spelers en teams nemen het tegen elkaar op, en mogen elkaar dwarszitten. Wie als eerste het van tevoren vastgestelde aantal punten haalt, wint. Vanaf 1920 wordt er minder gebeugeld, maar na de Tweede Wereldoorlog herleeft de volkssport weer. En nog altijd organiseert de Nederlandse Beugel Bond elk jaar een competitie.

Reconstructie, aangelegd in 1993.

Bierbrouwerij, Ulvenhout

Ieder dorp tapt uit een ander vaatje

In de 18e en 19e eeuw heeft bijna ieder dorp en elk gehucht in Brabant en Limburg een eigen brouwerij(tje). En dus ook een eigen smaak bier. Meestal bovengistend bruin. Na de Eerste Wereldoorlog raken veel van die kleine brouwerijtjes in verval. De concurrentie is enorm en steeds meer dorst wordt gelest met ondergistend pils. In deze Ulvenhoutse brouwerij De Roskam brouwt Henri Nooren nog tot in de jaren ’20 door en dan is het ook voor hem afgelopen. In het oude brouwhuis komt nu het brouwen in Brabant van toen tot leven. In de nieuwe museumbrouwerij brouwen we ons eigen traditionele bier. De brouwer vertelt tijdens zijn werk graag over zijn bijzondere ambacht en over de soms tumultueuze geschiedenis van het bierbrouwen in Zuid-Nederland.

Hier geplaatst in 1943.

Bijenexpositie

Imkerij. Een mooie bijverdienste

Het is nu bijna ondenkbaar, maar suiker is oorspronkelijk duurder dan honing. Honing is dan ook lang de voornaamste zoetstof. Een mooie kans voor families op het platteland om wat bij te verdienen met een paar bijenkasten. Waar trouwens niet alleen honing uitkomt, maar ook bijenwas. Daarvan worden kaarsen en meubelwas gemaakt. De korven in de bijen- expositie geven een overzicht van de ontwikkeling van bijenkorven naar bijenkasten. In het begin worden bijen in een stuk holle boom gehouden, later in korven van gevlochten stro of buntgras. Maar om daar de honing uit te kunnen oogsten moet eerst het hele bijenvolk wordt gedood. Daarom wordt het losse bijenraam in de boogkorf ontwikkeld. Daar kunnen de honingraten uitgehaald worden zonder de bijen te verstoren. Een stuk bij-vriendelijker.

Boerderij met Vlaamse schuur (Kindererf), Etten-Leur

Op het Kindererf is altijd wel een klusje te klaren

Welkom op het Kindererf, de leukste plek in het museum! Hier kun je zelf allerlei klusjes doen die horen bij het leven op een boerderij in oude tijden. Je leert een (nep)koe melken en je doet de was met wasbord en tobbe. Je kunt water pompen en volle emmers ronddragen met een juk. Rond 1900 wonen er maar liefst 22 mensen in deze boerderij. Dus reken maar dat er altijd wel klusjes zijn. De eerste versie van de boerderij komt al in het jaar 1599 voor in een belastingregister. Een paar decennia later krijgt hij gezelschap van een zogeheten Vlaamse schuur. Die heet zo omdat dit schuurtype uit de Belgische Kempen en het aangrenzende deel van Noord- Brabant stamt. De Vlaamse schuur wordt wel gezien als een van de mooiste schuurvormen in Nederland.

Grotendeels 18e eeuw. Hier geplaatst in 1971.

Boerderij, Arnhem

Het Openluchtmuseum is om deze boerderij heen gebouwd

Exact op deze plek wordt tussen 1763 en 1807 deze boerderij gebouwd. Dit deel van het terrein van het Openluchtmuseum heet dan nog landgoed De Waterberg. In de boerderij woont de familie die de landbouwgronden van De Waterberg bewerkt. Anders dan veel keuterboerderijen op de Veluwe is deze boerderij behoorlijk ruim en comfortabel. De muren zijn van baksteen en niet van hout of leem, de ramen zijn groot waardoor het binnen lekker licht is en bezoek kan niet ‘met de deur in huis vallen’ want tussen de voordeur en het woonvertrek ligt een gang. Warmte vliegt dus niet elke keer dat de deur opengaat naar buiten. Kortom, deze boerderij is duidelijk welvarender en gerieflijker dan bijvoorbeeld de ‘Kleine Boerderij’ uit Vierhouten (nummer 1.4).

Boerderij, Beerta

‘Graffiti’ uit 1797 in de voorkamerbedstee

Bij de bouw van deze boerderij krast iemand het bouwjaar in de bedstee van de voorkamer. Meer dan twee eeuwen later is die oergraffiti nog prima leesbaar. Maar verder verandert in ruim 200 jaar bijna alles aan dit boerenbedrijf, door steeds nieuwe eisen aan comfort en door de modernisering van de landbouw aan het begin van de 20ste eeuw. Vanaf 1866 woont de familie Koster hier. Het interieur dateert uit ongeveer 1929. Een roerige tijd, met een massale staking van landarbeiders en -arbeidsters én de grote economische crisis. Die voor de landbouw trouwens al halverwege de jaren ’20 begint. In de jaren ’30 komt het water veel boeren aan de lippen te staan. Alleen een openbare verkoping (‘boeldag’) kan dan nog wat geld in het laatje brengen.

Hier geplaatst in 1974. Interieur: 1929.

Boerderij, Giethoorn

Alles moet onder de brug door

Bezoek Giethoorn, en de hoge bruggen vallen direct op. Die zijn natuurlijk met een goede reden zo hoog. In Giethoorn gaat namelijk alle vervoer over water, in bokken en punters. Bruggen moeten dus hoog genoeg zijn om er met vracht onderdoor te varen. De schuiten worden voortbewogen met een lange stok die op de bodem van de sloot wordt gezet. Door dan in de boot naar achter te lopen, wordt de boot voortgeduwd. Boer Slagter laat deze boerderij in 1832 bouwen. Hij heeft acht kinderen en is weduwnaar. Hij trekt erin met zijn tweede vrouw Hendrikje. Samen krijgen ze nog zes kinderen. Financieel is dat geen probleem, want Slagter is rijk. Hij bezit 27 hectare land en verdient ook nog bij met botermakerij, visserij, bijen, hout, riet en turf.

Hier geplaatst in 1959.

Boerderij, Kadoelen

Slapen in de keuken

De bedsteden in een Oost- Nederlandse boerderij bevinden zich altijd in de keuken. Dus ook in deze hoeve uit Overijssel. Dat zal ’s winters heel wat koude voeten hebben gescheeld, want in de keuken staat ook de schouw. De boerderij heet De Caterstee, waarin het woord ‘keuter’ van keuterboer te herkennen is. Een kleinere boerderij dus, waarin de melkveehouderij centraal staat. Dat blijkt uit de melkkamer, de melkkelder, de attributen voor het verwerken van melk en uit de stal met plaats voor zestien koeien. Opvallend is de karnton die door een rosmolen – dus door een paard – wordt aangedreven. De boerderij is een duidelijk voorbeeld van de nieuwe stijl voor dit soort boerenbedrijven die tussen 1700 en 1800 in het land van Vollenhove ontstaat.

Hier geplaatst in 1942.

Boerderij, Krawinkel

Deze boerderij is niet helemaal wat het lijkt

Op het eerste gezicht een nogal breed bakstenen gebouw, deze boerderij. Maar loop de rechter poort door, en achter die brede gevel blijkt een vrij smal huis te staan. Zo’n flinke, bakstenen gevel geeft meer aanzien dan leem, en daarom wordt in de 18e en 19e eeuw voor veel lemen huizen in Zuid-Limburg een stenen façade geplaatst. Veel sjieker. Als het budget het toelaat, of als bakstenen goedkoop zijn, krijgen ook de lemen vakwerkwanden bij reparatie of nieuwbouw een baksteenvulling. De gesloten vorm van de boerderij ontstaat door een lange reeks verbouwingen. Sinds 1860 heeft de boerderij deze omvang. Na 1893 is ook de indeling binnen niet meer veranderd. Daar bereiden ze zich trouwens net voor op de Eerste Communie van Pierreke Lienaerts.

Hier geplaatst in 1930. Interieur: 1850.

Boerderij, Midlum

Een pronkkop, een leefhals en een werkromp

Een volbloed kop-hals-romp, deze hoeve uit het Friese Midlum. De chique ‘kop’, met z’n pannendak en gemetselde muren, lijkt eerder op een fraai dorps- of stadshuis dan op een stuk van een boerderij. In die kop vinden we de deftige pronkkamer, waar alle mooie spullen worden bewaard. Daarachter, in de hals, bevindt zich de warme woonkeuken, plus de karnkamer en de melkkelder. En nog een deur verder, in de enorme romp, de stal, de hooiberg en de dorsvloer. Tussen 1880 en 1910 en na de Tweede Wereldoorlog emigreren veel Friese plattelanders naar Amerika en Canada. Een enorme stap in een tijd dat de wereld nog veel groter is dan nu. Binnen brengt de presentatie ‘Wij gaan naar Canada’ die ingrijpende én aangrijpende emigratiegeschiedenis tot leven.

Hier geplaatst in 1963. Interieur: ca. 1950.

Bekijk in deze boerderij ook de presentatie Wij gaan naar Canada

Boerderij, Staphorst

Met de deur in huis vallen – zo doe je dat

Wie door de voordeur deze boerderij binnenstapt, weet meteen waar de uitdrukking ‘met de deur in huis vallen’ vandaan komt. Want net als bij de meeste oude boerderijen in Oost- Nederland loopt bezoek zo de huiskamer binnen. Al staat er bijna altijd wel een flinke kast in de lengte naast de deur, zodat er toch een soort halletje is. Staphorster boerderijen vallen op door hun uitbundige kleuren en versieringen. Luiken, meubelen, wanden, muurtegels – alles is even kleurig en fleurig. Heel traditioneel is ook het open vuur in de leefruimte. Rond 1880 zit Jan Huls daar met zijn vrouw Beertje en hun zeven inwonende kinderen en kleinkinderen omheen. Want ook dat is traditie: meerdere generaties in één huis en grootouders die voor de kleintjes zorgen.

Hier geplaatst in 1952.

Boerderij, Varik

Het goede leven in de Tielerwaard

In 1646 laat Hendrik de Joode in Varik deze fraaie boerderij neerzetten. Het dak steekt, heel slim, aan de achterkant over de gevel heen en heeft een luik onderin. Hooiwagens kunnen zo onder de vloer van de hooizolder parkeren en het hooi hoeft alleen maar omhooggestoken te worden. Het gemengde bedrijf op de vruchtbare Betuwse kleigrond geeft uitstekende opbrengsten en de bewoners leven er goed van. Kijk bijvoorbeeld alleen al naar de weelderige pronkkamer. En er wordt ook prima gegeten en gedronken. In de keuken vertelt de boerin over het bereiden en bewaren van eten aan het begin van de 20ste eeuw. Wie goed kijkt, kan trouwens nog de sporen zien van de vele verbouwingen die in de loop der eeuwen aan de boerderij hebben plaatsgevonden.

Hier geplaatst in 1971. Interieur: 1910.

Boerderij, Vierhouten

Twee kippen en een geit groeien uit tot een boerenbedrijf.

Voor kleine boeren is het een hele klus om een fatsoenlijke oogst te krijgen van hun akkertje op de slechte Veluwse zandgronden. Ze voorzien dan ook vooral in hun levensonderhoud door als dagloner te werken bij grotere boeren in de buurt. Thuis scharrelen er wat kippen en een of twee geiten. Met de mest daarvan verbeteren ze hun akker, waardoor elke volgende oogst hopelijk weer iets beter uitpakt. En als het een beetje meezit, krijgen de kippen en de geit na een paar jaar gezelschap van een koe en misschien zelfs van een paar varkens. Die leveren weer meer mest, dus weer betere grond. En zo ontstaat stukje bij beetje een kleine boerderij zoals deze. Al moet het hele gezin wel flink blijven helpen om het hoofd boven water te houden.

Hier geplaatst in 1938.