Knoflookvreters

Knoflookstroopwafel

knoflook rij 1

KNOFLOOKVRETERS

“Jij hebt zeker knoflook gegeten!?” De doordringende zwavelige geur van deze groente kan overweldigend zijn, zeker als je bijvoorbeeld samen met een knoflooketer in de lift staat. Met knoflook hebben we al eeuwen een haat-liefdeverhouding.


Knoflook zelf komt niet van ver; het wordt hier al sinds mensenheugenis verbouwd in volle grond. In moestuinboeken staat beschreven hoe je het moet telen, en in – pakweg – een kookboek uit 1599 staan maar liefst 19 recepten waarin ‘loock’ een van de ingrediënten is. Ook in later eeuwen duikt knoflook nog wel in Nederlandstalige recepten op, maar de populariteit lijkt af te nemen. Een verklaring daarvoor treffen we aan in het Huishoudelijk Woordenboek uit 1770: “dewijl hij een zeer sterke, bij de meeste Menschen onaangenaamen reuk heeft, en die zich ook lang na het eeten uit de mond verspreid, meer als van andere uijachtige planten en spijzen; zo word hij daarom weinig bij ons gebruikt”. 

In de eerste helft van de twintigste eeuw bereikt de populariteit van knoflook onder de Nederlandse bevolking een dieptepunt. In het Haagsche kookboek uit 1948 kom je weliswaar knoflook tegen, maar dan slechts in enkele exotische gerechten als Hongaarse Gulyas, ‘Nassi goreng‘, ‘Bahmi’ en zelfgemaakte kruidenazijn. De meeste Nederlanders houden er niet van, en op de eerste buitenlandse vakanties proberen ze er verre van te blijven. Knoflook stinkt!

 

 

 

 

Tegelijkertijd eten veel mensen die nieuw in Nederland arriveren juist graag knoflook, of ze nu van Chinese, Indische, Molukse, Spaanse, Italiaanse, Surinaamse, Turkse of Marokkaanse of nog andere herkomst zijn. Dat zorgt geregeld voor minder prettige ontmoetingen. Nederlandse kinderen die te spelen of te eten worden gevraagd bij een familie van andere herkomst vinden de geur vaak vies, en komen niet graag terug. Marion Bloem beschrijft het in haar roman Matabia: “Iris wil nooit bij mij thuis spelen. ‘Het stinkt bij jullie,’ zei ze. ‘Je bent nooit bij ons thuis geweest,’ zei ik. ‘Hoe weet je dat nou?’ ‘Maar wel bij Erica Kruin,’ zei Iris beslist, ‘en daar stinkt het. Jullie zijn dezelfde mensen.’” Knoflook wordt in deze periode geassocieerd met vreemd: het is niet ‘van ons’, maar van ‘de ander’. 

De nieuwe bevolkingsgroepen krijgen van de autochtone Nederlander dan ook regelmatig het onaardig bedoelde etiket ‘knoflookvreter’ opgeplakt. De knoflookschelder past in een traditie: je probeert de eigen culturele en groepsgrenzen te markeren door afkeer te tonen van (herkenbare ingrediënten in) het eten van een andere groep. Spaghettivreter, kaaskop, spruitjestype, krotenkoker en patatgeneratie zijn nog zo wat voorbeelden. “Je bent wat je eet”, maar dan in een speciale vorm. (Dat schelden op het eetgedrag van ‘vreemde’ bevolkingsgroepen is trouwens niet nieuw. In 1648 worden van oorsprong Vlaamse immigranten die alweer jaren in Leiden wonen voor ‘knoflookvreter’ uitgescholden.) 

 

 

 

Ironisch genoeg is inmiddels bijna elke Nederlander een knoflookvreter geworden. De omslag in de publieke knoflookopinie kan rond 1970 gedateerd worden. In die jaren begint zich vanwege overproductie een ‘kaasberg’ te vormen. Om die weg te werken, start het Nederlands Zuivelbureau in samenwerking met enkele grote winkelbedrijven een promotiecampagne voor kaasfondue. Ze schakelen daarbij culinair journalist Henriëtte Holthausen in die zorgt voor een reeks smakelijke recepten. Elk recept begint steevast met de instructie “wrijf de fonduepan in met een teentje knoflook”. Vanaf dat moment raakt knoflook ingeburgerd in de Nederlandse keuken. Tegenwoordig heeft bijna iedereen wel een bolletje in voorraad, of anders wel een potje knoflookpuree of -poeder. 

 

 

Hubert Slings
Wetenschappelijk medewerker

 

 

Knoflook

 

 

RECEPT KNOFLOOKSTROOPWAFEL