Column: Kerstdiner

header

Rij 1 column: Kerstdiner

Het Kerstdiner

Dat het woord kerstdiner nog maar zo’n honderd jaar ingeburgerd is, om te beginnen bij de “betere klasse”, zegt natuurlijk niet dat er vroeger met Kerst of de andere winterse feestdagen niet iets bijzonders op tafel stond. Het heette alleen geen ‘kerstdiner’.

Het woord ‘kerstdiner’ wordt in het begin, zo rond 1900-1905, vaak gebruikt in de Nederlandse berichtgeving van kerstmaaltijden in het buitenland, vooral in Engeland. Het zou me niks verbazen als het de vernederlandsing is van het Engelse ‘Christmas dinner’.

 

In Engeland is dat al rond 1800 een bekend begrip. Toch stonden er ook in Nederland vóór 1900 met Kerst bijzondere gerechten op tafel. Neem nou de Tilburgse textielarbeiders zo rond 1870. Als ze lid waren van het onderlinge ziekenfonds dan hadden ze vaak met Kerst ‘mik’, een wit tarwebrood, op tafel. Sjonge, denk je dan, is dat nou zo bijzonder?

 

Ja, dat was het. Normaal aten de arbeiders donkerbruin roggebrood. Wit tarwebrood was voor de welgestelden, het was luxe. Omdat het ziekenfonds er voor zorgde dat het net wat meer geld in kas kreeg dan jaarlijks aan uitkering nodig was,

schoot er aan het eind van het jaar geld over om mik te laten bakken. Die mik werd uitgedeeld aan de verzekerden. Arbeiders die het wat beter hadden waren dan ook nog zo fideel dat ze de hun toekomende broden beschikbaar stelden voor hun armere collega’s. Nee, een kerstdiner kun je dat niet noemen, maar het was wel anders dan anders.

 

Ook anders dan anders zijn de gerechten die in de omgeving van Varik in de Betuwe tijdens de winterse feestdagen in een boerderij op tafel kwamen. Daar stond bij een aantal families konijn of gans op het menu. De beesten in kwestie werden op de boerderij gehouden, onwetend van hun lot. Voor de kerst werd de lekkerste, de grootste, de oudste of krakkemikkigste uitgezocht en geslacht.

 

Met Oudejaar werden ‘smoutbollen’ gebakken. Een smoutbol is een oliebol, want smout is gesmolten vet. Dat klinkt niet zo heel ongewoon, maar als je ze alleen met de jaarwisseling eet, dan wordt het toch weer een bijzonder gerecht.

 

De winterse feestdagen waren op veel plaatsen aanleiding om de in de zomer ingemaakte snijbonen voor het eerst te proeven of om de lekkere producten van de recente slacht (november: slachtmaand) uit de kelder te halen. ‘Je mocht met Oudjaar zoveel vlees eten als je lustte’, herinnerden zich oude mensen de tijd rond 1910. 

Dat mocht anders nooit, dus heel bijzonder. Andere gerechten voor de feestdagentafel zijn: ‘gekookte tamme kastanjes met koele roomboter en een hoofdkaasje’ -er gaan jaren voorbij dat ik dat niet eet met Kerst- of stokvis met rijst en mosterdsaus voor het maal op Nieuwjaarsdag. Degene die me over de stokvis vertelde kwam uit de Zaanstreek. Hij haalde tussen Kerst en Oudejaarsdag met zijn moeder de stokvis uit Amsterdam. Terug in de trein hielden de medepassagiers in de trein afstand. De stokvis stonk een uur in de wind. Niet iedereen houdt van die sterke vislucht.


Dat merken we in het Nederlands Openluchtmuseum waar tijdens de ‘Winter in het Openluchtmuseum’ een aantal van de feestgerechten wordt gemaakt in de boerderij uit Varik. Als er stokvisgeur hangt dan komen sommige bezoekers niet eens meer binnen vanwege de stank en bij andere levert de geur zoveel goede herinneringen op dat ze juist binnenkomen om herinneringen op te halen.

 

Misschien geeft het lezen van dit verhaal -en de in onze ogen van nu nogal exotische ingrediënten- je inspiratie als je nog niet weet wat dit jaar je ‘kerstdiner’ gaat worden…

 

 

 

Leendert van Prooije  - Winterconservator