Column: Aardgas

Header

Column 1

Vaarwel


Al 100 miljoen jaar ben ik een met moederaarde. Als een vrucht, zo lig ik in haar schoot. Toch heeft nog nooit iemand mij gezien, ik ben onzichtbaar en ongrijpbaar. Laat je mij los en ik ben voorgoed verdwenen. En toch heb ik Nederland schatrijk gemaakt.


Ik ben de zuiverste van al mijn familieleden. Mijn grootouders hout en turf, mijn nichtje steenkool, mijn boertje aardolie, allemaal lieten ze zwarte walmen na. 
Huiskamers werden langzaam zwarter. De muren moesten keer op keer opnieuw worden gewit. Eeuwenlang hebben mensen met ze moeten slepen, eerst de turfkruiers, toen de kolenboeren, en tot slot de huisgenoten, van kolenhok naar kachel.

 

Al mijn voorouders weken eerbiedig terug, toen ik vanaf de jaren 1960 stap voor stap heel Nederland veroverde. Oké, het land zakt door mijn winning. Maar goed, door de turfafgravingen liep heel Holland onder water. Al eerder werd de Veluwe één zandverstuiving door de houtwinning. En niemand hoeft met mij te slepen, ik kom geruisloos, als een droom. 

Vanuit de diepte word ik opgeboord, en via kilometers buizen naar de woningen geleid. Zo kom ik bij iedereen thuis, in elke keuken, op elke zolder. En als ik dan eindelijk door het grote licht wordt opgenomen, weet ik dat mijn einde gekomen is. Ik sterf, aan de mens gelijk. In dat laatste moment zie ik pannenbodems, vroeger van emaille en aluminium, tegenwoordig van roestvrijstaal.

 

Ik hoor gesprekken, echtelijke ruzies, liefdesverklaringen tegen het aanrecht, scheldpartijen, ontboezemingen. Ik heb de maaltijden verwarmd, vroeger van grote gezinnen, daarna die met twee kinderen en tegenwoordig steeds meer van eenpersoonshuishoudens. Ik doe het met liefde hoor, begrijp me goed, maar die grote gezinnen gaven mij meer warmte. Verzoeningsmaaltijden heb ik helpen bereiden, kerstdiners en bitterballen bij het EK. Van miljoenen baby’s verwarmde ik de pap.

 

Ook zorg ik dat heel Nederland ‘s ochtends fris ruikend naar zijn werk kan. Ik houd de Tweede Kamer behaaglijk, ondanks de kille sfeer tussen de fracties. En als het buiten regent, waait, of sneeuwt, dan zijn wij samen, binnen, warm en wel. De schoonste auto’s reden op mij en ook de terrein winnende elektrische auto’s, want de meeste elektriciteit wordt met mij opgewekt.

Zo’n 250 overledenen per dag cremeer ik, en ook Mies Bouwman heb ik tot stof doen wederkeren. Kerncentrales heb ik zoveel mogelijk buiten de deur weten te houden. Men maakt zelf ammoniak van me, de grondstof voor kunstmest waarmee gewassen groeien zodat iedereen voldoende te eten heeft. Dus de spruiten die u ’s avonds met mij kookt, zijn ook nog eens met mijn hulp gegroeid. 

 

Toch heb ik nog maar 17 jaar te leven, dan ben ik op, is het gedaan. Daarna mogen wind en zon het van me overnemen, de zon van wie ik al mijn energie kreeg. Dat doe ik vol overgave, want wat is er schoner dan wind en zon, die ook nog eens het eeuwige leven hebben? Ik zie een glorieuze toekomst zonder mijzelf. Ook daarin ben ik zuiver, ken geen heimwee of jaloezie. 

 

Toegegeven, terugkijkend had ik wél een waardige voorvader, het stadsgas. Uit steenkool gestookt werd het al 200 geleden gebruikt voor straat- en huisverlichting, voor koken en verwarmen. Stadsgas heeft Multatuli bijgelicht tijdens het schrijven van zijn Max Havelaar. Oké, dat had ik graag zelf gedaan, maar goed, ik verwarm Koningin Maxima elke ochtend, onder de douche, en dat kunnen er maar weinig zeggen.

 

Hans Piena - Conservator Wooncultuur